Artikel 25 van de Politieverordening: burgers moesten bij gladheid zelf sneeuw ruimen en zand strooien, zelfs op zondag. Vrij vertaald: schep of boete.
Een week later meldde zich prompt een abonnee met een ingezonden bericht dat neerkwam op: “Prima plan hoor, maar misschien kan de gemeente zelf eerst even voordoen hoe dat moet?” Kennelijk was passief-agressief commentaar ook toen al cultureel erfgoed.
Terug naar onze recente sneeuwpret. Nederlanders blijken nog steeds bereid een paadje te vegen — ongeveer zo breed als één pantoffel — recht voor hun voordeur. De rest van het trottoir? Dat gebied valt blijkbaar onder het rijk van Niemand.
Ondertussen draaiden de strooiwagens overuren, dag en nacht. De wegen lagen er keurig bij, maar de stoepen zagen eruit alsof ze bewust hadden besloten wintersportgebied te worden. Eerlijk is eerlijk: er waren uitzonderingen. Hier en daar verscheen een trottoirheld met een gemotoriseerde schuiver — de Formule 1 onder de sneeuwruimers — die met brullende motor en zwaailicht de winter te lijf ging en buren spontaan hoop gaf dat beschaving toch nog bestond.
Kortom: tijden veranderen, technologie verandert, maar één ding blijft constant — zodra er sneeuw ligt, verandert elke straat in een live debat over de vraag wie er eigenlijk aan zet is. En ergens, diep in de geschiedenis, tussen vergeelde kranten en bevroren herinneringen, knikt een abonnee uit 1928 tevreden: zie je wel, alsof hij het al die tijd al wist.