Jan Adolfs uit Gasselternijveen, wie kende hem niet?
Jan Adolfs was een begrip…
Jan Adolfs werd geboren op 13 december 1906. Hij trouwde op 4 mei 1935 met Jantien Rademaker. Het gezin Adolfs werd al vrij spoedig verrijkt met de geboorte van een tweeling, een zoon en een dochter.
Op 22 februari 1936 zagen Jantje en Klaas namelijk het levenslicht. Het gezin Adolfs vestigde zich, komende vanuit Gasteren in de oorlogsjaren onder de Duitse bezetting (in 1941) in Gasselternijveen en betrok het pand aan de Vaart naast het gemeentehuis, waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend, t.w. het hotel-, café-, restaurant- en slijtersbedrijf.
Het gelijknamige Hotel Adolfs dat tot in de jaren negentig van de vorige eeuw deze naam zou dragen en toen werd gewijzigd in hotel Nieveen.
De familie Adolfs verstond het horeca-vak heel goed.
Gastvrijheid en een uitstekende keuken hadden ze hoog in het vaandel staan.
Kortom hotel Adolfs was in de gehele regio een begrip en de rol van kastelein was Jan Adolfs eigenlijk helemaal op het lijf geschreven daarbij uitstekend gesteund door zijn vrouw Jantien. Deze functie zou Adolfs ongeveer 20 jaar vervullen.
In 1961 deed hij, samen met zijn vrouw, namelijk een stapje terug om plaats te maken voor zoon Klaas die daarmee in de voetsporen trad van zijn ouders en inmiddels getrouwd was met Geertje Bruins. Ook met Klaas en Geertje als nieuwe uitbaters bleef de goede naam die hotel Adolfs had opgebouwd, behouden. De broodjes flauwekul, broodjes stinkerij en de gehaktballen uit de keuken waren van een uitstekende kwaliteit en vonden altijd gretig aftrek.
Gaandeweg trok Jan Adolfs zich steeds meer terug uit het horecabedrijf en woonde hij samen met zijn vrouw nog vele jaren in de woning van de familie Wiegman aan de Burg. Van Roijenstraat, op nummer 2 wel te verstaan.
Na een gelukkige echtvereniging van 41 jaar, overleed mevrouw Adolfs op 9 september 1976. Een ongeneeslijke ziekte was daaraan voorafgegaan.
Jan Adolfs hield van het leven. Hij had graag altijd mensen om zich heen en kon slecht tegen het alleen zijn vandaar dat Beppie in 1980 bij hem in trok.
Tante Bep, een Amsterdamse weduwe, die hij nog kende vanuit de periode dat ze dikwijls met reisgezelschappen vanuit Amsterdam het hotel bezocht.
De oudere Nieveenster ingezetenen zullen zich Jan Adolfs ongetwijfeld nog herinneren, maar ook in de wijde omtrek kenden velen de vroegere hotelhouder, kastelein, slijter, varkens- en schapenhouder en paander uit Gasselternijveen.
Jan Adolfs was van alle markten thuis…
“Ome Jan” oftewel “opa Adolfs”, zoals kinderen hem noemden, was een graag geziene gast. Een kleurrijk man, een man met humor.
Hij had een stem waarmee hij zo ongeveer heel Gasselternijveen kon overstemmen.
Dikwijls hoorde je hem van verre al aankomen, vaak zingend…
Luidruchtig, maar nooit op een vervelende manier. Altijd goed gemutst, in voor een grol of een grap, goed van de tongriem gesneden en met prachtige verhalen.
Mensen die hem niet kenden zullen zich wel eens achter de oren hebben gekrabd en hebben gedacht dat hij niet goed bij zijn hoofd was maar wanneer ze eenmaal een gesprek met hem hadden aangeknoopt dan wisten ze wel beter.
Nieuwsgierig als geen ander: “Wel mag joe wel wezen as ik joe vroag’n mag?” en “woar kommen joe aignlieks vandoan?” of “wat brengt joe hier?”
Dikwijls nam hij zelf het initiatief door zich aan vreemden met een handdruk voor te stellen: “Adolfs is mijn naam, uit Gasselternijveen kom ik vandaan”.
Een gesprek met hem werd veelal beëindigd met een handdruk en werd steevast afgesloten met “ja klaar” waarbij hij dan zijn linker elleboog eventjes met een flinke ruk naar achteren haalde.
Een markante man met een kale kop die je deed denken aan Kojak, van de bekende Amerikaanse televisieserie. Zoals gezegd een man met een gezonde portie humor.
Jan Adolfs, de paander oftewel de veilingmeester, die geen microfoon nodig had maar die met zijn luide stem een gehele zaal kon overstemmen en die eens, bij een openbare verkoping van een boerderij, de weg helemaal kwijt was door het bod dat het bedrag van 1 miljoen gulden vele malen te boven ging, niet meer kon uitspreken en toen riep: “ik weet het niet, ik zal het even mijn knechtje vragen” en zich vervolgens wendde tot de notaris.
Jan Adolfs, die een groep Duitse bezoekers in het café eens toesprak met de woorden: “Ik vind mooi dat je der binn’n moar laiver nait weer met zo veul”, waarmee hij fijntjes herinnerde aan de Duitse bezetting van 1940-1945.
Jan Adolfs, die met zijn “Mercedes”, want zo sprak hij altijd over zijn auto, de koets van Sinterklaas ramde.
Jan Adolfs, die zijn Fiat, een benzinewagen tamelijk duur in gebruik, van de hand deed en verving door een Golf diesel, veel goedkoper in gebruik en vervolgens opmerkte: “Beppie wij hoeft nu niet meer naar bakker Bos om ons patatje op te halen, we kunnen nu dineren”.
Jan Adolfs, die zijn auto, die overigens meer weg had van een botsauto, in Gieten voor het café van Klaas en Geertje dusdanig tussen twee bomen had geparkeerd dat deze helemaal klem stond en niet meer voor- of achteruit kon.
Jan Adolfs… de man die graag een borrel lustte, deze vaak in één klap achterover sloeg en dan zei: “nou tou dan moar omdat joe zo aandring ’n” en daarmee aangaf dat hij nog wel graag een tweede lustte.
Jan Adolfs, die altijd een fles jenever en 2 borrelglaasjes in het varkenshok had staan en in het geval “de zeug moest biggen” samen met zijn vrienden voor elke geworpen big een borrel achterover sloeg.
Wanneer je bedenkt dat een zeug gemiddeld 13 biggen werpt dan….
Jan Adolfs… die het presteerde om op 77-jarige leeftijd nog zijn zwemdiploma te halen en toen hij bij het afzwemmen weer vaste bodem onder zijn voeten voelde het badpersoneel a.h.w. voor een voldongen feit plaatste door luidkeels te roepen: “hij heeft het gehaald”, een roep overigens die meer weg had van een noodkreet…
Jan Adolfs,….. de kindervriend.
Jan Adolfs,….. die samen met zijn huisgenote tante Bep een schitterende oude dag beleefde en vaak zijn schaapjes bezocht…
Jan Adolfs…. Een man over wie je eigenlijk nooit raakt uitverteld maar waar je wel een boek over kunt schrijven.
Opa Adolfs overleed op 18 mei 1997 op 90-jarige leeftijd.
Op zijn rouwkaart prijkte de toepasselijke tekst:
“Hij hield van het leven.
“Ondeugd was zijn grootste deugd.
“Zijn levenslust was eindeloos.
Daarmee werd in slechts drie zinnen volkomen recht gedaan aan hoe hij was en hoe hij in het leven stond.
Met zijn overlijden verloor de Nieveenster gemeenschap één van de markantste burgers die het ooit heeft gekend.