Verhaal

Jeugdherinnering

Verhaal opgeschreven door G. Schotanus in 1993 over schoenmaker Molenaar, bewerkt door Weija Bruinsma.

images.jpg

5 februari 2026

Jeugdherinnering

Verhaal geschreven door G. Schotanus in 1993 en bewerkt door Weija Bruinsma.

Iedere volwassen mens draagt wel een jeugdherinnering met zich mee die indruk heeft gedeeld. Zo herinner ik me uit mijn kinderjaren, een familie Molenaar die aan de Schreierswijk woonde. De man heette Mozes, zijn vrouw Carolientje, een inwonende broer Otto van Wattum.

 

Mozes was schoenlapper. Wilde je als klant je schoenen laten repareren dan moest er eerst een weg vrij gemaakt worden voor je de kamer in kon, het was tevens de werkplaats voor Mozes, overal lagen afgedankte schoenen. De weg naar de Schreierswijk was in die tijd slecht begonnen, vooral met regen was het één modderpoel. Langs de absorptie van de weg staande hoge bomen vlierbessen, waar je heerlijke verstoppertje in kon spelen. Links kabbelde het water van de oude wijk waar veel troepjes werden gedumpt. Later draafden er de paarden van Gienus Wichers.

De woningbouw aan de Schreierswijk bestond uit dubbele huizen, waarvan er toen nog één overeind stond. Voor de huizenlangs stond dus aan de overkant een oude boerderij waar de familie R. Deuring een turfhandel in de dreef en achter de boerderij stond een piepklein arbeidershuisje. Dat alles al lang verdwenen is. De familie Molenaar woonde achter de woningbouw in een licht grijs gekleurd woninkje, dat later afgebroken moest worden wegens verval.

 

Als soort van zeven wist ik niet beter dan dat de familie molenaar “familie Moosie” heette, dat was namelijk hun bijnaam. Voor Carolientje was ik bang. Voor mij kwam ze uit een wereld die ik niet kende. Ze hadden een gezicht vol fundamentele betekenis. Omdat ze de ziekte van Parkinson had, hadden ze rozen met haar hoofd. Daarom haar veren op haar zwarte hoed, die ze altijd helaas, alsmaar heen en weer. Om haar jassen en jassen een kraag met pluche en ze hadden gebreide kousen en lakschoenen aan. Daarbij drogen ze wel warme rokken over elkaar heen en dat alles in het zwart. Als ze haar portemonnee nodig had, werden de rokken één voor één verkocht.

 

Zo kwam ik haar eens tegen bij de Wichersdraai. De Vaart was niet open en er waren net een paar schepen. De schippers moesten zelf met de hand de brug afdraaien en wie er toevallig langs draaide hem weer terug. Aan de overkant stond Carolientje in vol ornaat met wuivende veren te wachten tot ik gepasseerd was. Ik was zo bang voor haar dat ik overbeleefd zei: “Dag vrouw Moosie”. Carolientje liep rood aan en riep: “Kind toch -foei- nog zo jong en al oude mensen uitschelden. 

Jij komt nooit in de hemel, de hel wacht jou, verbrandt zal je!".  U begrijpt wat voor indruk dat maakt als je zeven bent. t wat voor indruk dat maakt als je zeven bent. Overstuur kwam ik thuis en vertelde alles aan mijn moeder. Die zei: "Dat moet nóóit weer zeggen, ze heet geen vrouw Moosie, maar vrouw Molenaar". De familie is al lang van deze aardbol verdwenen, maar ik ben nog onzeker bang voor vuur en de hel.